1

Ofchoon wij je de rust gunnen,
is ons hart diepbedroefd
Je zien lijden, en niet kunnen helpen,
dat was  voor ons de grootste kwelling.
 
  

2

Als je ‚s nachts naar de hemel kijkt,
is het alsof alle sterren je toelachen,
omdat ik op eentje ervan lach.
Jij alleen hebt een ster die kan lachen!
  

3

Weent nicht,
ik heb het overwonnen,

Be nu vrij van pijn,
maar laat mij in zo menig stil uurtje bij je zijn.

 


4

Heer, uw wil geschiede...........
  

5

Je hebt gezorgd,

je hebt gewerkt,
vaak ver boven je macht.
Rust nu zacht, jij met je goede hart,
God zal verzachten onze smart.

 

  

6

Heerlijk geborgen door de goede machten
wachten wij getroost op wat komen mag.
God is met ons in de avond en de morgen,
iedere nieuwe dag.

7

Gevochten, gehoopt en toch verloren.

  

8

Toen de kracht ten einde was, was het geen sterven, het was verlossing.

  

9

Een moederhart hield op met kloppen.


10

De kostbaarste nalatenschap van een mens is het spoor dat zijn in liefde in ons hart naliet.

  

11

Dank je voor alles wat voor ons hebt gedaanWij geloven dat je nu terug naar e Vader bent gegaan.
  

12

Al wandel ik door het dal der duisternis, ik vrees geen ongeluk, want Gij zijt mij nabij.
Uw stok en staf vertroosten mij.


13

Al wandel ik door het dal der duisternis, ik vrees geen ongeluk, want Gij zijt mij nabij.
Uw stok en staf vertroosten mij.
  

14

Ik lig en slaap in vrede.

  

15

Op een dag is er geen morgen,
op een dag begint een heden dat nooit eindigt:
eeuwigheid.

 


16

Waar gij gaat daar wil ik gaan;
waar gij zijt, daar ben ik ook
uw volk is mijn volk,
Uw God is mijn God.
  

17

Geloof, hoop en, liefde, maar de grootste onder hen drieën is toch de liefde.
  

18

Heer, in volle vertrouwen leg ik mijn geest in uw handen.

19

Men moet de wereldniet belachen , niet bewenen, maar begrijpen.
  

20

Wie in het hart van zijn geliefden leeft, is niet dood, hij is alleen ver weg. Dood is slechts wie vergeten wordt